De conservering van de xylotheek

Het was in het begin van de jaren ’90 dat wij werden gevraagd te komen kijken naar een aantal boeken die in zeer slechte staat verkeerden. Voor een restauratie atelier van meubelen, beelden en andere houten objecten een vrij ongebruikelijk verzoek. Het waren echter geen gewone boeken van papier en leer, maar boeken geheel van hout. Houten kistjes in de vorm van een boek waar, als je ze open doet plantenmateriaal in opgeslagen ligt.

Het was voor ons de eerste kennismaking in levende lijve met dit soort collecties, Xylotheken genaamd. Het woord xylotheek geeft de kern van de verzameling al aan, Xylos in het Grieks betekent ‘hout’.

Nederland kent drie van dergelijke collecties, die dateren van het einde van de 18de, begin van de 19de eeuw. De xylotheek, toen nog Herbarium Vivum in boekvorm genoemd, werd in 1809 door Lodewijk Napoleon cadeau gedaan aan de Leidse universiteit. Ook de universiteiten van Harderwijk en Franeker ontvingen in dat jaar een vrijwel identieke collectie, die verpakt in houten kisten, in verschillende zendingen naar Nederland werden verzonden. ‘Dit zeer kostbaar en fraai geschenk’, schreef de Leeuwarden Courant destijds, ‘bestaat uit meer dan honderd Specimina, grootendeels van Boomen en Heesters op de keurigste wijze gedroogd en behandeld’. Maker van de drie Nederlandse xylotheken was Alexander Cristian Heinrich Friedrich von Schlümbach. De vervaardiging van xylotheken was een economische aangelegenheid.

Zo meldt in die tijd de nieuw economische courant: ‘ Bij Johan Hildt te Weimar zijn natuurlijke hout-kabinetjes te bekomen van 144 in- en uitlandische kunstverf- en apothekershouten. Iedere houtsoort heeft den vorm van een zakalmanak; de rug is op de wijze van een Franschen band versierd en bevat den Linneischen en Duitsche naam. Op het voorplat is een vierkant van de schors van het hout ingelegd. Deze 144 natuurlijke houtsoorten bevinden zich in een eikenhouten kastje en kosten 36 Thalen’. Ook von Schlümbach werkte met economische motieven, zo blijkt uit de briefwisselingen. Boze tongen beweerden dat het hem uitsluitend om het geld te doen was. Boswachter Ryss, die hem de toegang tot de bossen wilde ontzeggen beschreef Von Schlümbach als een: ‘ Losbandig, onwetend, aanmatigend en tamelijk lomp mens (…..) louter een kruidenverzamelaar’.

Waarschijnlijk was er sprake van broodnijd, omdat Ryss zelf ook wel wat in de xylotheken zag. Er was grote kritiek op Von Schlümbach. Slechts zijn grote schulden zouden hem tot het werk gedreven hebben, niet de liefde voor de natuur, van een wetenschappelijke aanpak door hem is nooit sprake geweest.

De drie Nederlandse xylotheken.
De xylotheek van de hogeschool van Franeker bestaat uit 158 delen en is gegaan naar museum het Coopmanshus in Franeker, waar deze nog steeds is. De xylotheek van de hogeschool van Leiden , 147 delen, is via omzwervingen terechtgekomen bij kasteel Groeneveld in Baarn, en de xylotheek van de hogeschool van Harderwijk, 146 delen, is bij het Natuurmuseum Enschede terechtgekomen.

Beschrijving van de collectie
De boeken hebben een formaat van gemiddeld 25x17x5 cm. Ze bestaan uit een rugdeel, een voor en een achterbord, een aantal daarop gelijmde latten die doos en deksel vormen. De rug is gemaakt van een deel van een tak, compleet met schors en spinthout.

Er zijn twee soorten boeken: boeken van houtsoorten die voldoende hout produceren om er een doos van te maken, zoals eik, beuk, plataan etc. en boeken van struik- of kruidachtige gewassen zoals rozensoorten (Rosa alba, Rosa Belgica) en heide soorten (Erica alba, Erica vulgaris). Hiervan zijn de boekdozen gemaakt van grenenhout (Pinus sylvestris) en belijmd met een aantal twijgen van de desbetreffende plant of struik. De ruimte tussen de twijgen in, is belijmd met gemalen boomwortel.

De boekdozen scharnieren d.m.v. in het hout bevestigde ijzerdraadjes en aan de buitenzijde opgelijmde leren scharnierbanden. Aan de binnenzijde van de deksel is een tekstvel gelijmd, waarin behalve een beschrijving van de betreffende boom of struik ook een lijst van inhoudsonderdelen van de boekdoos is weergegeven. Deze teksten zijn handgeschreven in het Oud-Duits, geschreven in verschillende handschriften. De binnenzijde van de doos is belijmd met mos, Kammos (Ctenidium molluscum, onderzocht door dr. A. Touw, Rijksherbarium te Leiden). Op dit mos zijn de onderdelen van de boom of struik gelijmd, zoals: een twijg met bladeren en de vrucht, het zaad ( in een klein houten doosje met deksel), de bloemen – mannelijk en vrouwelijk – het stuifmeel ( eveneens in een klein houten doosje) de zaailing of jonge plant, een rechte en schuine doorsnede van een tak, een stukje wortel, as (eveneens in een houten doosje), houtskool en een stukje kernhout ter bepaling van het soortelijk gewicht.

Er is nogal wat verschil in het aantal inhoudonderdelen, Viscum Album, de mistel of maretak, een parasietachtige plant kent slechts drie onderdelen en Pinus Sylvestris, de grove den, kent er maar liefst zeventien. Alle inhoudsonderdelen zijn genummerd, overeenkomend met de nummering in de geschreven tekst.

Ook elk boek heeft een nummer, aangebracht op een schildje op de rug, net als de botanische en de Duitse benaming. De nummering van alle drie de collecties is identiek, nummer 1 is de Quercus robur (zomereik), nummer 10 is de Fraxinus excelsior, de es, nummer 20 is de Betula excelsa, een berkensoort. De nummering loopt door tot aan nummer 234. Kijkend naar welke soorten er in de Schlümbach xylotheken aanwezig zijn, dan moet je concluderen dat de maker niet een bepaalde botanische lijn gevolgd heeft, daar zijn de soorten te divers voor. Het lijkt aannemelijker dat de soorten die voorhanden waren, bijvoorbeeld uit de bossen van eerder genoemde boswachter Rypp, of uit een nabijgelegen hortus, de opbouw van de collectie bepaalden. Merkwaardig is ook, dat van sommige soorten die genoeg hout produceren om een houten boekdoos van te maken, zoals de Buxus sempervirens, toch een grenenhouten doos is vervaardigd.

Van de andere soorten zijn weer lang niet alle mogelijke onderdelen toegepast, bijvoorbeeld van de Juniperus nana komt wel een stukje kernhout voor maar weer geen houtskool, terwijl deze twee onderdelen toch over het algemeen naast elkaar in de boekdoos liggen. Het grootste raadsel wat wij in de boekdozen aantroffen waren de zaailingen- ook wel jonge planten.

Een aantal van de zaailingen komt niet overeen met de wijze waarop ze in de natuur voorkomen. Het formaat en de verschijning zijn dermate afwijkend dat wij ons afvroegen of de natuur in krap twee eeuwen zo een evolutie doorgemaakt zou hebben, of dat er iets anders aan de hand kon zijn. Bij het losnemen van enkele zaailingen bleek dat deze samengesteld zijn: het papieren nummerplaatje is precies over de scheiding van blad en wortel gelijmd. Het is dus een los (klein) blaadje dat met een los stukje wortel is verbonden en zo de zaailing vormt.

De eerste xylotheek waaraan wij hebben gewerkt was die van Kasteel Groeneveld te Baarn. Het museum achtte het destijds wenselijk om de missende inhoudsonderdelen aan te vullen, om zodoende de leesbaarheid van de collectie te herstellen. Een niet geringe opdracht waar wij met medewerking van de heer Versteegh, botanicus van de Nehosoc, experts van de universiteiten van Utrecht en Wageningen en diverse arboreta in ons land uiteindelijk toch in zijn geslaagd. Uiteraard is het aanbrengen van nieuwe inhoudsonderdelen geheel reversibel gebeurd (beenderlijm) en het documentatiesysteem maakt, dat te allen tijde terug te vinden is welke onderdelen eerder verloren gegaan zijn, en waar dus nieuwe onderdelen toegevoegd zijn.

De conditie van de xylotheek van het Natuurmuseum te Enschede.
In november 1995 zijn wij begonnen met het opstellen van het conditierapport van deze xylotheek. Uitgangspunt hierbij was om in zeer gedetailleerde vorm de conditie van ieder onderdeel van elke boekdoos weer te geven. Zo werden er aantekeningen gemaakt over de toestand van de houten boekdozen, het plantenmateriaal (losliggend, beschadigd of ontbrekend), de aanwezigheid van schimmel in de boekdozen, het plantenmateriaal aan de buitenzijde (de ‘buitenbekleding’) en de conditie van de papieren tekstvellen en de leren scharnierbanden.

De houten boekdozen
De boekdozen zijn zodanig geconstrueerd, dat het hout geen enkele mogelijkheid tot krimpen heeft. Het voor en achterbord van het boek zijn meestal uit meerdere stroken hout samengesteld en de latjes die de doos en de deksel vormen zijn hier dwars opgelijmd. De rug van de doos is zonder verbinding, dus koud, tegen het doosbord en de latjes aangelijmd. Door verdroging en krimp van het hout waren veel van de houten borden gescheurd of kromgetrokken, de latjes waren losgeraakt en de ruggen afgebroken. De ruggen, vervaardigd uit delen van takken, waren soms zeer kromgetrokken door aanwezigheid van het jongen spinthout.

Een ander groot probleem bij de houten boekdozen was de aantasting door houtworm. Bijna iedere boekdoos had hier in meer of mindere mate last van, zeker op de plaatsen waar spinthout in de dozen is verwerkt, zoals in de ruggen. Ook voormalige behandelingen hebben de boekdozen geen goed gedaan. Veel onderdelen die eens losgeraakt waren, zijn met moderne lijmen en spijkers weer min of meer op hun plaats gebracht. Over deze ‘opknapbeurt’ staat in een brief van 20 januari 1949 van de heer Geesink, directeur van het provinciaal museum van oudheden te Zwolle ( waar de xylotheek destijds verbleef), aan prof. Dr. Venema, van de landbouwhogeschool te Wageningen:

Hooggeachtte Prof,

U ten zeerste dankend voor de terugzending van de delen van de xylotheek en de daaraan verrichtte goede zorgen heb ik de eer U mede te delen dat ik heden aan uw adres doen verzenden een nieuwe zending, dan blijven er hier nog 20 delen achter, die een zeer gehavend aanzien hebben en waarvan de kistjes gedeeltelijk los in elkaar zitten. Is het daarom mogelijk dat ik deze vooraf hier doe in elkander lijmen?

Professor Venema antwoordt hierop:

Zeer Geachte Heer,
In antwoord op Uw vraag wat er gedaan moet worden met de nog resterende kistjes, deel ik u mede dat deze het best elk afzonderlijk stevig in papier gepakt moet worden. Wij zullen dan hier wel zien wat er nog te krabben en te lijmen valt. Sommige zijn heel erg beschadigd.

Een groot aantal houten latjes was hierbij tussen verschillende boekdozen verwisseld. Het spreekt voor zich, dat ook het plantenmateriaal er onder deze omstandigheden niet best meer aan toe was.

Het plantenmateriaal
Droog plantenmateriaal is zeer broos en teer, en door de slechte staat waarin de boekdozen verkeren, was ook erg veel plantenmateriaal beschadigd of losgeraakt. Bijna iedere doos bevatte wel een klein gedraaid houten doosje dat losgeraakt was. Door hanteren van de houten boekdoos en het heen en weer rollen van het kleine doosje daarin is zeer veel materiaal beschadigd, losgeraakt of zelfs geheel verloren gegaan. Veel plantenmateriaal is ook beschadigd of verloren gegaan bij eerdere restauratie pogingen aan de houten boekdozen. Ook bleken inhoudsonderdelen op de verkeerde plaats of zelfs in de verkeerde boekdoos te zijn gelijmd. Ook aantasting door schimmel was een probleem. Na onderzoek werd door het Centraal Bureau voor Schimmelcultures te Baarn vastgesteld dat het hier een droogte minnende schimmel betrof, die na een flink aantal weken op kweek nog geen activiteit te zien gaf. Tevens werd er een behandelingsadvies gegeven. Van de twijgen aan de buitenzijde van de boekdozen waren er veel losgeraakt of verdwenen.

Het papier en de scharnierbanden
De papieren tekstvellen waren door contact met het hout verzuurd waardoor bruine vlekken te zien waren. Op plaatsen waar de houten borden gescheurd waren, was het papier uiteraard meegescheurd. De leren scharnierbanden waren zeer vaak gescheurd op de plaatsen waar deze door openen van de boekdozen omgevouwen werden. Ook waren er een aantal vervangen door bandjes van andersoortig leer. Waar de banden waren losgeraakt van de boekdozen waren deze met allerlei lijmsoorten, spijkertjes of zelfs met krammen bevestigd. De ijzeren draadjes die onder de leren banden als scharnierpunt fungeren waren zeer vaak gebroken en door oxidering aangetast.

Nu de gehele conditie van de xylotheek in kaart was gebracht kon begonnen worden met het opmaken van een behandelingsplan. De ervaringen die we opgedaan hadden bij de conservering en reconstructie van de xylotheek van kasteel Groeneveld waren leidraad voor de plannen voor de xylotheek van Enschede. Belangrijkste aspect hierbij was misschien wel dat we bij de werkzaamheden voor Groeneveld een documentatiesysteem ontwikkeld hadden, waarbij elke handeling aan de collectie nauwkeurig in kaart kon worden gebracht.

In een tweetal gesprekken die ik heb gehad met directie en corservatoren van het Natuurmuseum, afgevaardigden van de Rijksdienst Beeldende Kunst en dr. P. van Helsdingen van het Nationaal Natuur Historisch Museum Naturalis te Leiden zijn minimale conserveringseisen, mogelijkheden en wenselijkheden van het conserveringsplan vastgelegd.

Na goedkeuring van de subsidieaanvragen konden de conserveringswerkzaamheden daadwerkelijk beginnen. Al snel bleek echter, dat door een voormalige behandeling met een ons niet bekend bestrijdingsmiddel de gehele collectie een schadelijke damp verspreidde, die ons het werken aan de collectie onmogelijk maakte. Hulp van het Instituut Collectie Nederland afdeling onderzoek werd ingeroepen en na het nemen van monsters en doen van diverse tests werd de aard van de stoffen bepaald: Tritolueenfosfaat en dibutyltalaat, beide weekmakers.

In samenwerking met het ICN hebben we een zuurkast ontwikkeld, waarin als in een soort couveuse gewerkt moest worden. Het werken in de zuurkast bleek lastig, maar niet onoverkomelijk, dus we konden alsnog aan de slag.
Eerst werden van alle exemplaren drie foto’s gemaakt: binnenzijde, buitenzijde en tekstvel.
Noodzakelijk bij alle werkzaamheden waren de vertalingen van de teksten en de lijsten van de inhoudsonderdelen van iedere boekdoos. Het grootste deel van de vertalingen waren al gemaakt bij onze werkzaamheden, eerder, aan de xylotheek van kasteel Groeneveld in Baarn.

Van een tiental exemplaren die niet in die collectie voorkwamen moest alsnog een vertaling gemaakt worden. Als eerste werden alle scharnierbanden verwijderd en gelabeld. Ook werd door de papierrestaurator het papier uit de deksels genomen om het daarna te conserveren.
Hierna konden we aan de houten dozen beginnen. De latten die gedeeltelijk loslagen werden verwijderd; spijkers en lijmresten werden verwijderd. Krimpscheuren in doos- en dekselborden werden hersteld door de verschillende delen weer tegen elkaar te lijmen. Door kromtrekken van sommige plankjes konden krimpscheuren niet altijd geheel gesloten worden dan werden er strookjes hout in de krimpscheuren gelijmd.

Deksel- en doosborden die na het aan elkaar lijmen te klein bleken te zijn werden aan de rugzijde van het boek aangevuld: dit werd gedaan met het hout van de betreffende botanische soort en de aanvullingen werden niet aangekleurd.

Na de verbredingen van de borden konden de ruggen bevestigd worden; dit gebeurde met twee dunne bevestigingspennetjes tussen latjes en rug. Uiteraard moesten alle werkzaamheden uitgevoerd worden, terwijl het plantenmateriaal in de dozen aanwezig was.

Dit zorgde, met name bij het opheffen van krimpscheuren in de doosborden voor complicaties. Kromgetrokken delen konden immers niet vlak gedrukt worden zonder het plantenmateriaal te pletten, daarom werd er voor gekozen om eventuele ongelijkheden tussen de verschillende gedeelten van de borden te accepteren en in rust aan elkaar te lijmen. Enkele ruggen waren zo door houtworm aangetast dat gedeelten ervan verdwenen waren. De aangetaste ruggen werden eerst geïmpregneerd met kunstharsen. Overige afgebroken of verdwenen delen van de boekdozen werden alleen aangevuld als dit noodzakelijk was voor de constructie van de doos.

De boekdozen met verwisselde latjes bleven uiteindelijk over. Op basis van de houtsoort, afmetingen, plaats van de sluitpennen, of zelfs afdrukken van wormgangen kon vastgesteld worden van welke doos zij afkomstig waren, waarna ook deze exemplaren hersteld konden worden.

Volgende stap in het project was het conserveren van het plantenmateriaal. Losgeraakte onderdelen werden op de juiste plaats teruggelijmd, de kleine gedraaide houten doosjes vastgelijmd en de inhoud werd droog gereinigd, en ontdaan van schimmel en schimmelsporen. Door ervaringen opgedaan bij het werk aan de xylotheek van Baarn konden ook van plaats veranderde inhoudsonderdelen en delen die in de verkeerde boekdozen gelijmd waren, weer op hun juiste plaats gebracht worden.

Werkzaamheden aan de buitenzijde van de dozen beperkten zich tot het op de plaats lijmen van losgelaten twijgen en twijgdelen. Na het voltooien van het werk aan de boekdozen en het plantenmateriaal kunnen de metalen scharnierdelen bevestigd worden. Hiermee werden doos en deksel weer met elkaar verbonden. Aan de binnenzijde van het deksel werden de geconserveerde tekstvellen teruggelijmd, op zuurvrij museumkarton. De conservering van de leren scharnierbanden had inmiddels plaatsgevonden. Op plaatsen waar de banden waren gescheurd zijn ze gedoubleerd. Hierna konden ze worden teruggelijmd.

Nu alle delen weer hersteld en geconserveerd waren moest er nog een ding gebeuren: het bestrijden van de actieve houtworm. Hiervoor hebben we gebruik gemaakt van een behandelingsmethode bij lage zuurstof concentratie. Een geheel onschadelijke methode waarbij de houten boeken voor een langere periode geheel zuurstofvrij opgeslagen werden.

Een methode die in het geval van de xylotheek van het Natuurmuseum Enschede uitermate succesvol gebleken is. Van de gehele conserveringsproces is een uitgebreide documentatie bijgehouden, met foto’s van voor en na de behandeling.

Eenmaal terug in het museum is de xylotheek in een klimaatgeregelde vitrine geëxposeerd.

Het hele conserveringsproject heeft ruim vier jaar in beslag genomen en we hopen dat het resultaat de bezoeker van het Natuurmuseum Enschede evenveel zal plezieren als het ons heeft gedaan.